‘Hoeveel is de Eiffeltoren waard?’ had Max gevraagd toen we, twee dagen geleden, voor het enorme bouwwerk stonden. Ik wist het antwoord niet, anders dan dat het toeristisch gezien misschien wel in de miljarden zou lopen aan gederfde inkomsten, wanneer Parijs en dus Frankrijk het zonder zijn handelsmerk zou moeten doen. Overigens is het metaal van de Eiffeltoren wel eens te koop aangeboden, na afloop van de wereldtentoonstelling van 1889. Nadat de ijzerhandelaar een aanbetaling had ontvangen werd er nooit meer iets van hem vernomen.

Waar toeristen zijn is geld te verdienen. Dat zien we elke minuut van de dag voor onze ogen in de praktijk gebracht worden. Naast alle souvenirverkopers en horeca-uitbaters zijn er twee groepen kleinverdieners die opvallen: bedelaars en straatartiesten. De term clochard klinkt romantisch, staand voor mensen die een vrijbuitersbestaan verkozen boven dat van een burger, overwinterend onder de rustieke bruggen van Parijs, de dag doorkomend met rode wijn, het levenswater van Frankrijk. De werkelijkheid is meestal anders: nederig, bijna onzichtbaar soms, met een plastic bekertje voor zich uit om een gift vragend, de vuige kleren rond het lijf. Elke paar dubbeltjes is weer enkele uren levensverlenging. Clochard en bedelaar: een wereld van verschil.

Toerist en bedelaar: een universum van verschil. Wel te geven of niet te geven, dat is de vraag. Ik leg het dilemma voor aan mijn zoons. De oudste vindt op gevoel: hoe slechter ze eruit zien, des te minder zijn neiging om hem iets te geven (uit zijn vaders portemonnee). De jongste heeft een doordachtere opvatting: ‘Als het iemand is die nooit iets deed op school en er met de pet naar gooide, dan vind ik niet dat we iets moeten geven. Maar als iemand een ongeluk heeft gehad en daardoor bedelaar is geworden, nou, dan verdient die wel wat.’ Ik vind het een mooie opvatting. Helaas praktisch onuitvoerbaar: we kunnen de oorzaak van het bedelaarschap niet van de buitenkant zien. Ik geef daarom soms wel, vaak ook niet. Geen peil op te trekken.

De straatartiesten vormen een duidelijkere categorie. ‘Nou, als je je vermaakt, dan verdienen ze wat,’ zegt de oudste. Lijkt me geen speld tussen te krijgen. Dus dat uitgangspunt volg ik zoveel mogelijk, met een broekzak vol kleingeld. Aan (goede) straatartiesten geef je met plezier geld. Er lijkt overigens wel een soort evolutionair principe te werken onder de straatartiesten, in die zin, dat we slechte straatartiesten eigenlijk niet zijn tegengekomen (of het moet de enkele als straatartiest vermomde dronkaard geweest zijn). Vandaag was het weer plezierig raak, ditmaal op het plein voor het Centre Pompidou. IJzerbuiger, luciferhoutjesstapelaar, slangenmens, didgeridoospeelster, leerbewerker, eenwielfietser: het is maar een greep uit de vermakelijke zonderlingen waar we voor zijn gaan zitten. Musea zijn we nog niet in geweest: Parijs is één groot levend buitenmuseum. Het publiek mag overal gaan zitten, opstaan wanneer het wil, en betalen wat het het entertainment waard vindt. Dat kan toch niet beter? Ik ben benieuwd welke verhalen onze jongens aan het thuisfront zullen gaan vertellen over ons bezoek aan Parijs - ik heb het gevoel dat wel eens vooral verhalen over de creatiefste en door ons meest geliefde geldverdieners van deze stad zullen zijn.

Michiel

Als ontdekkingsschrijver verdiep ik mij in de wereld om mij heen, en hoe die zo ontstaan is. Ik schrijf en reis, voor tijdschriften als Quest Historie, Zeilen, National Geographic Junior, Grande en Italië Magazine. En nu dus ook voor Pharos.Lees hier meer van deze auteur!

Geef een reactie

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

   
© 2011 Vakantiebabbels